Twee-eiige tweelingen
Tweelingen zijn altijd bijzonder: op elke 1.000 geboorten gaat het in Nederland in slechts twaalf tot veertien gevallen om een tweeling. Meer dan tweederde daarvan zijn twee-eiige tweelingen. Ze lijken net zoveel op elkaar als gewone broertjes en zusjes. Dat komt omdat twee-eiige tweelingen ontstaan uit twee eicellen die tegelijkertijd zijn gerijpt, maar onafhankelijk van elkaar door twee verschillende zaadcellen worden bevrucht.
In sommige families worden opvallend vaak twee-eiige tweelingen geboren. Daarom wordt vermoed dat er toch een erfelijke aanleg bestaat, waarbij de vrouwelijke lijn waarschijnlijk een belangrijke rol speelt.
De afgelopen jaren is het aantal twee-eiige tweelingen gestegen, onder andere vanwege de hormoonbehandelingen bij een kinderwens, waarna vaak meerdere eicellen rijpen. Bij een kunstmatige bevruchting worden er vaak meteen meerdere bevruchte eicellen teruggeplaatst bij de vrouw. Zo komt het dat bijna een kwart van de tweelingen wordt geboren als gevolg van een vruchtbaarheidsbehandeling. Een andere reden is echter ook het feit dat vrouwen op steeds hogere leeftijd moeder worden. Hoe ouder een vrouw is, des groter de concentratie eispronghormoon (FSH), waardoor verschillende vruchtbare eicellen vrijkomen.
Tegenwoordig is ook vrij zeker dat een twee-eiige tweeling kan ontstaan uit een eicel die kort voor de bevruchting nog eens deelt. Elke helft wordt dan bevrucht door verschillende zaadcellen. In dat geval zijn de erfelijke eigenschappen van moederskant identiek, terwijl die van vaderskant verschillen.
Eeneiige tweelingen
Ze lijken soms als twee druppels water op elkaar. Eeneiige tweelingen krijgen bij de bevruchting identieke erfelijke eigenschappen mee en zijn dus ook van hetzelfde geslacht. Bij eeneiige tweelingen wordt slechts een eicel bevrucht. Deze cel deelt zich binnen enkele dagen in twee kiemen. Dit fenomeen komt overal ter wereld bijna even vaak voor, namelijk zo’n vier keer op de 1000 geboorten.
Als de eicel kort na de bevruchting zich deelt, heeft elk deel van de tweeling zijn eigen moederkoek en zijn eigen vruchtblaas. Als de deling echter pas vier tot zeven dagen na de bevruchting volgt, dan moeten de baby’s het samen met een placenta doen. Soms leidt dat tot het zogenaamde ‘fetofetale transfusiesyndroom’ waarbij de ene helft van de tweeling het voedsel van de andere helft afpakt. Daarom is het ook belangrijk om de groei van een tweeling regelmatig via een echo te laten controleren. Het komt nog minder vaak voor dat een tweeling slechts een vruchtblaas moeten delen en echt zeldzaam is een tweeling met slechts een placenta en een vruchtblaas.
Overigens zijn er bij volwassen tweelingen toch wel verschillen in de erfelijke eigenschappen vastgesteld. Dit verbluffende nieuws werd onlangs naar buiten gebracht door een internationaal onderzoeksteam dat 19 tweelingen had onderzocht. Elk van deze tweelingen bleek zogenaamde ‘copy number variations’ te vertonen: soms ontbrak een deel van een chromosoom bij een van de tweeling, soms waren sommige chromosomen in een groter aantal aanwezig. Wetenschappers vermoeden dat deze variaties het gevolg zijn van celdelingen die in de loop van de tijd zijn opgetreden. Ze hopen dat ze met behulp van deze kennis in de toekomst genen kunnen herkennen die verantwoordelijk zijn voor bepaalde ziektes: als er maar één persoon van een eeneiige tweeling ziek wordt, zouden ze de oorzaak mogelijk kunnen lokaliseren in de erfelijke eigenschappen die afwijken van de andere helft van de tweeling.
Meerlingen
Het komt nog minder vaak voor dat een vrouw zwanger is van meer dan twee kinderen. Deze baby’s zijn dan in elk geval twee-eiig. Vroeger kwamen meerlingzwangerschappen vaak voor als gevolg van kunstmatige bevruchting, maar deze kinderen werden meestal te vroeg geboren en ze bleven ook niet altijd allemaal in leven. Daarom mogen er in Nederland tegenwoordig maximaal twee embryo’s worden teruggeplaatst in de baarmoeder.


Bladwijzer van dit artikel maken bij…